Lijst van Feodale Heersers van Wilrijk
Print Friendly and PDF


Het feodalisme was een bestuursysteem gebaseerd op een leenstelsel. Deze bestuursvorm bestond uit verschillende lagen, aangezien een grondbezitter zijn (bestuurs)rechten als eigenaar in bruikleen kon geven aan derden (een "vazal" genoemd) in ruil voor betalingen, diensten zoals grondbewerking, en poliltieke en/of militaire trouw. Het systeem was in Europa voornamelijk in gebruik na de val van het West-Romeinse Rijk tot aan de Franse Revolutie. Een groot grondgebied in leen werd veelal een hertogdom of graafschap genoemd, terwijl een kleiner grondgebied werd doorgaans aangeduid als een heerlijkheid. Als Heerlijkheid heeft Wilrijk slechts twee Heren gekend.

Aanvankelijk maakte Wilrijk deel uit van het Frankische Rijk, en na de opdeling in 843 tot Midden-Francië (Lotharingen sinds 855). In 870 werd Lotharingen herverdeeld en viel ons gebied onder Oost-Francië, ook Duitsland genoemd (dat in 962 transformeerde tot het Heilig Roomse Rijk).  Lotharingen werd als koninklijke ambtsleen in 926 vervolgens een hertogdom, maar in 959 werd het gebied verder onderverdeeld in vicehertogdommen, en viel Wilrijk vervolgens onder Neder-Lotharingen, dat vanaf 977 tot volwaardig hertogdom werd verheven.

Onderstaande lijst vangt aan bij Pepijn de Korte, eerste Frankische koning van het Karolingische huis en tevens degene die de Staatswet afkondigde waardoor in 765 de parochiegrenzen van ook Sint-Bavo, het latere Wilrijk, werden afgebakend, en wat dus het eerste bewijs is van een autonome, afgebakende dorpsgemeenschap. 

Koningen der Franken

  • 751 - 768 : Pepijn de Korte
     
  • 768 - 814 : Karel de Grote (samen met Karloman van 768 tot 771)
     
  • 814 - 840 : Lodewijk de Vrome
     
  • 840 - 855 : Lotharius I, tevens eerste koning van Midden-Francië oftewel Lotharingen
     


Koningen van Lotharingen (Midden-Francië)

Met het Verdrag van Verdun werd in 843 het Frankische Rijk in drie opgesplitst: West-, Midden en Oost-Francië. Lotharius werd koning van Midden-Francië, nadien Lotharingen genoemd, maar bleef wel Keizer over het hele Frankische Rijk (het Roomse Rijk).

  • 843 - 855 : Lotharius I
     
  • 855 - 869 : Lotharius II
     


Koningen van West-Francië

In 870 werd het Verdrag van Meerssen gesloten, waarbij een grensverlegging ervoor zorgde dat het oosten van Lotharingen onder koning Lodewijk de Duitser van Oost-Francië viel, en het westen van Lotharingen onder koning Karel de Kale van West-Francië (waaronder ook een stuk ten oosten van de Schelde).

  • 870 - 876 : Karel de Kale
     
  • 876 - 879 : Lodewijk II de Stamelaar
     


Koningen van Lotharingen en/of Oost-Francië

In 880 werd het Verdrag van Ribemont gesloten, waarbij de grensverdeling opnieuw werd herzien, waardoor Lotharingen opnieuw viel onder onder koning Lodewijk de Jonge van Oost-Francië, zoon van koning Lodewijk de Duitser van Oost-Francië.

  • 880 - 882 : Lodewijk III de Jonge
     
  • 882 - 887 : Karel de Dikke, als koning van Oost- en West-Francië
     
  • 887 - 895 : Arnulf van Karinthië
     
  • 895 - 900 : Zwentibold
     
  • 900 - 903 : Lodewijk IV het Kind, als koning van Oost-Francië (tijdens de periode tussen de laatste koning en eerste hertog van Lotharingen)
     


Hertogen van Lotharingen

  • 903 - 910 : Gebhard van Lotharingen
     


Paltsgraven van Lotharingen

  • 911 - 915 : Reinier I van Henegouwen
     
  • 915 - ca. 922 : Wigerik van de Ardennen
     
  • ca. 922 - 926 : Godfried van Gulik
     


Hertogen van Lotharingen

  • 926 - 928 : Everhard van Franken
     
  • 928 - 939 : Giselbert van Maasgouw
     
  • 939 - 940 : Hendrik van Beieren, broer van keizer Otto I
     
  • 940 - 944 : Otto van Verdun
     
  • 944 - 953 : Koenraad de Rode
     
  • 953 - 965 : Bruno de Grote, zoon van Hendrik de Vogelaar
     


Vicehertogen van Neder-Lotharingen

  • 959 - 964 : Godfried van Neder-Lotharingen
     


Hertogen van Neder-Lotharingen

De opvolging van Godfried was voorzien voor zijn oudste zoon Godfried, maar die was te jong om hertog te worden bij het overlijden van zijn vader. Keizer Otto II gaf het hertogdom vervolgens aan zijn neef Karel. 

  • 977 - 991 : Karel, zoon van Koning Lodewijk van West-Francië
     
  • 991 - 1012 : Otto II, zoon van Karel
     
  • 1012 - 1023 : Godfried I, achterkleinzoon van Wigerik
     
  • 1023 - 1044 : Gozelo I, broer van Godfried I, tevens hertog van Opper-Lotharingen
     
  • 1044 - 1046 : Gozelo II, zoon van Gozelo I
     
  • 1046 - 1065 : Frederik van Luxemburg, achterkleinzoon van Wigerik
     
  • 1065 - 1069 : Godfried II, zoon van Gozelo I
     
  • 1069 - 1076 : Godfried III, zoon van Godfried II
     
  • 1076 - 1087 : Koenraad van Franken, zoon van de Roomse keizer Hendrik IV
     


Landgraven van Brabant

Het Landgraafschap van Brabant werd bestuurd door de Graaf van Leuven, die het in in leen kreeg van Hendrik IV, de Keizer van het Heilig Roomse Rijk.

  • 1085 - 1095 : Hendrik van Leuven, Graaf van Leuven en Brussel
     
  • 1095 - 1139 : Godfried I, broer van Hendrik van Leuven, Graaf van Leuven en Hertog van Neder-Lotharingen
     
  • 1139 - 1142 : Godfried II, zoon van Godfried I, Hertog van Neder-Lotharingen
     
  • 1142 - 1190 : Godfried III, zoon van Godfried II, Hertog van Neder-Lotharingen
     


Hertogen van Brabant

Het Hertogdom Brabant ontstond uit het Landgraafschap van Brabant, nadat dit tot hertogdom werd verheven door Frederik Barbarossa, de Keizer van het Heilig Roomse Rijk.

  • 1190 - 1235 : Hendrik I van Brabant, zoon van Godfried III en Margaretha van Limburg. Eerste Hertog van Brabant
     
  • 1235 - 1248 : Hendrik II van Brabant, zoon van Hendrik I van Brabant
     
  • 1248 - 1261 : Hendrik III van Brabant, zoon van Hendrik II van Brabant
     
  • 1261 - 1267 : Hendrik IV van Brabant, zoon van Hendrik III van Brabant
     
  • 1267 - 1294 : Jan I van Brabant, broer van Hendrik IV van Brabant
     
  • 1294 - 1312 : Jan II van Brabant, zoon van Jan I van Brabant
     
  • 1312 - 1355 : Jan III van Brabant, zoon van Jan II van Brabant
     


Graven van Vlaanderen

Bij het overlijden van Hertog Jan III had hij geen zonen, waardoor in 1356/1357 de Brabantse Successieoorlog ontstond tussen de echtgenoten van zijn drie dochters, die de Hertog van Luxemburg, de Hertog van Gerle en de Graaf van Vlaanderen waren. Die laatste was de overwinnaar en verkreeg zo o.a. Antwerpen met diens heerlijkheden, waaronder ook de heerlijkheid Wilrijk.

  • 1357 - 1384 : Lodewijk II van Male, Graaf van Vlaanderen van 1346 tot 1384
     
  • 1384 - 1405 : Margaretha III van Male, dochter van Lodewijk II van Male, Gravin van Vlaanderen van 1384 tot 1405. Zij kreeg eveneens het Hertogdom Brabant toegewezen van Johanna van Brabant, dochter van Jan III van Brabant.
     


Hertogen van Brabant en Bourgondië

Na het overlijden van Margaretha van Male, gravin van Vlaanderen, kwam het Graafschap Vlaanderen in handen van haar zoon Jan I van Bourgondië (Jan zonder Vrees). Het Hertogdom Brabant kwam in handen van haar jongere zoon Anton van Bourgondië, via zijn groottante Johanna van Brabant en diens echtgenoot Wenceslaus, de Hertog van Luxemburg.

  • 1406 - 1415 : Anton van Bourgondië
     
  • 1415 - 1427 : Jan IV van Brabant, zoon van Anton van Bourgondië
     
  • 1427 - 1430 : Filips van Saint-Pol, broer van Jan IV van Brabant
     
  • 1430 - 1467 : Filips II de Goede, zoon van Jan zonder Vrees (Graaf van Vlaanderen)
     
  • 1467 - 1477 : Karel I de Stoute, zoon van Filips de Goede
     
  • 1477 - 1482 : Maria van Bourgondië, dochter van Karel de Stoute en echtgenote van keizer Maximiliaan I van Oostenrijk
     
  • 1482 - 1505 : Filips III de Schone, zoon van Maria van Bourgondië en Maximiliaan van Oostenrijk. Hij stond onder voogdij van zijn vader van 1482 tot 1492.
     

Omstreeks 1505 gaf de Hertog van Brabant, wegens de vele oorlogsschulden van zijn vader, zijn heerlijkheden te Wilrijk, Deurne en Berchem in pand aan Jan Van der Vorst. Deze droeg de heerlijkheden in 1508 over aan de Stad Antwerpen. Op 12 augustus 1613 verkrijgt Jan van Nevele als "Drossaard-Generaal", na betaling van grote bedragen aan de Aartshertogen Albrecht en Isabella, van Antwerpen verschillende heerlijkheden rond de stad, waaronder Wilrijk. Na zijn overlijden op 16 maart 1620 komen de heerlijkheden opnieuw in handen van de stad Antwerpen (een proces dat pas in 1626 volledig werd afgerond).


Heren van Wilrijk

In 1745 zette de Stad Antwerpen haar heerlijkheden te koop op de Vrijdagmarkt. De koper van Wilrijk werd zodoende de eerste Heer van Wilrijk.

  • 1745 - 1777 : Petrus Franciscus Gisbertus van Schorel, schepen van Antwerpen en eigenaar van kasteel Middelheim
     
  • 1777 - 1792/1793 : Petrus Joannes Franciscus Josephus van Schorel, zoon van Petrus Franciscus Gisbertus van Schorel, eveneens eigenaar van kasteel Middelheim
     
  • Afschaffing van het feodale bestuursysteem met diens heerlijkheden, als gevolg van de invoering van het Ancien Regime door Frankrijk. Gedurende enkele jaren werd de titel "Heer van Wilrijk" nog gedragen door een lid van de familie Van Eersel (mogelijk Gerardus Henricus van Eersel, eigenaar van kasteel Ieperman en de schoonbroer van Petrus Joannes Franciscus Josephus van Schorel), maar deze heeft nooit officieel de Heerlijkheid van Wilrijk in het bezit gehad.


Bron: Over de heraldiek van de gemeente Wilrijk, J. Goolenaerts (1965)